Meerssens Mannenkoor
zondag, 27 mei 2018

Piet Canna

Piet_CannaPiet, onze tweede Canna (Canna Bis)
Een paar dagen voor mijn bezoek is Piet jarig geweest - hij werd op 17 januari 1943 in Maastricht geboren - en hij verwelkomt me met een zelf gebakken dikke suikerwafel. Op mijn jaloerse vraag of hij vaak bakt, bromt Piet dat je het niet te gek moet maken. Hij doet dat dus één keer per jaar.

Al in zijn eerste levensjaar verhuisde hij naar Rothem, naar de Ambyerweg, ging naar de Lindegaerdschool en werd wegens een hele goede stem ingelijfd bij de Krölkes, onder andere met broer Mart, Henrie Geraards, Hub Pluymeekers en Jan Cabo en hij heeft ook nog herinneringen aan de gebroeders Conings en de broertjes Hub en Math Limpens.
Daarnaast deed hij flink aan sport, eerst voetbal en tijdens zijn schooltijd baseball. Dat was goed voor de conditie en die bouwde hij verder op na de lagere school. Iedere schooldag twee keer op en neer op de fiets naar de H.B.S. in Maastricht, want overblijven tussen de middag was er niet bij, dan ging Piet thuis eten.
Maar echt naar zijn zin had hij het niet op de H.B.S.. Dat duurde hem allemaal veel te lang. Oudere broer Mart stak hem de ogen uit met zijn riante salaris. Piet moest het doen met hoogstens 2,50 gulden zakgeld en daar kon hij het roken nog niet eens van betalen, dus dat was vaak bietsen van Mart. Hij stapte over naar de MULO en met dat diploma schreef hij zich in op de net gestarte U.T.S., afdeling werktuigbouwkunde. Dat beviel hem helemaal niet, dus na een jaar gaf hij de pijp aan Maarten. Piet was inmiddels 18 jaar en de vraag “Wat nu verder” werd soepel beantwoord door Hare Majesteit die hem uitnodigend de wapenrok voorhield. Piet vertrok naar het verre Steenwijkerwold en werd opgeleid tot raketspecialist op de Honest John. Dat betekende een relatief lange diensttijd, 21 maanden, maar in Piet’s beleving ook een leuke periode, waarbij al het kanonnenpoetsen, wachtlopen, aardappelschillen voor straf, oefenen op de Lüneburger Heide voor lief werden genomen en in het niet vielen tegen een plezierige sfeer en leerzame klussen.

Na het afzwaaien kon Piet terecht bij de welbekende Frits Corten uit Heer, waar hij in opleiding kwam als bouwkundig tekenaar. In de 6 jaar dat hij daar werkte bekwaamde hij zich in dat boeiende vak. Het werd het begin van een gevarieerde loopbaan. Verschillende jaren werkte hij als assistent-opzichter bij de bouw van Eurocontrol, was vervolgens 2 jaar bij de gemeente Maastricht belast met het in kaart brengen van monumenten, maar besloot niet in te gaan op de uitnodiging om bij Monumentenzorg in dienst te gaan en gaf er de voorkeur aan om verder te gaan als ontwerper/tekenaar  bij onder andere Stienstra; in meerdere opzichten een belangrijke stap want daar leerde hij zijn Maria kennen.

Piet werd er weggekocht door de Muwi waar hij werd opgemerkt door Architectenburo Coppen dat hem inlijfde om aan een van zijn projecten deel te nemen.
In de jaren die volgden zou hij aan veel projecten binnen en buiten onze grenzen zijn steentje bijdragen, ook in de utiliteitsbouw.
Eén van die projecten was ‘het Heuvelplan’ in Eindhoven met o.a. een muziekcentrum, casino, kantoorgebouwen, winkels, parkeergarage en een champagnebar waar hij mooie herinneringen aan bewaart.
Hij kreeg een uitnodiging om voor een architectenbureau in België te werken. Dus reed Piet lange tijd dagelijks op en neer naar Puurs, een gemeente in de provincie Antwerpen voorbij Mechelen (waar tussen haakjes de huidige minister-president van Vlaanderen, Kris Peeters, geboren is en woont).
Vervolgens werkte hij diverse jaren voor Clemens & Partners, een Duits bureau dat gespecialiseerd was in ziekenhuizen en utiliteitsbouw, vooral in de voormalige Duitse Democratische Republiek, tot de bank de kraan dichtdraaide omdat de baas te vorstelijk geleefd had en voor zijn tientallen medewerkers het licht uitdeed.

Piet vond dat het welletjes was geweest met zijn omzwervingen en zocht werk dichter bij huis. De laatste tien jaren, tot zijn vijfenzestigste, werkte hij bij Bosch Vastgoedzorg in Landgraaf als projectvoorbereider, alwaar tot op heden nog vaak een beroep op hem wordt gedaan.
Door al die wisselingen is het zingen er geruime tijd behoorlijk bij ingeschoten. Weliswaar heeft Piet, samen met Huub Pluymeekers, nog een tijd bij de Mastreechter Staar gezongen, maar twee keer in de week repeteren bleek al gauw niet te combineren. De stap naar het Meerssens Mannenkoor is uiteindelijk bewerkstelligd door Hub Leerssen. (Die man verdient toch wel een vergulde Solsleutel voor al zijn ronselwerk. Zou hij vroeger soms voor het Vreemdelingenlegioen hebben gewerkt?) Ook hier was het “teekezinge” op Carnavalsmaandag de lasso waarmee Piet werd binnengehaald. “De hings aan ut verreke” sprak Huub plechtig na enige samenzang en zo was het. Piet heeft daar nog geen moment spijt van gehad. Al heeft Piet wat problemen met zijn luchtwegen, hij kan zich goed redden bij de tweede tenoren. Inmiddels heeft hij zelf ook weer 2 nieuwe leden geworven, Piet Smeets en Huub Pluymeekers.

Dan komen aan het eind van het gesprek nog even de familiegeschiedenisboeken op tafel. Allereerst blijkt in 1776 Lambert Canna uit Rothem op de Lommelenberg in Valkenburg als vermeende Bokkenrijder te zijn gegeseld. Zijn buurman Offermans (!) kwam er overigens nog minder genadig van af: die werd opgehangen.
Honderd jaar later, in 1870, meldde Louis Canna zich voor 2 jaar aan als Zouaaf, maar keerde eerder terug na de val van Rome. De lichaamslengte bij de familie dateert dus kennelijk niet van de laatste tijd: Zouaven moesten tenminste een markant postuur meebrengen. Waarmee de hoogte van de voordeur van broer Mart ook weer wat duidelijker wordt.

Ga terug ...